De ochtend start lastig. Mijn lijf werkt tegen en het is even zoeken hoe ik de dag aanpak.

Ik wil naar een stadje 50 km verder en sleep mezelf met mijn zware rugzak naar het station om daar vast te stellen dat de trein me er niet kan brengen. Verder sleurend naar een punt om te liften. Zonder succes.

De enige auto die stopt, biedt me aan om te brengen,… in ruil voor seks. Niet dus. De moed zakt me in de schoenen, zeker als een voorbijganger me erop wijst dat dit gewoonweg niet de plek is. Ik besluit nog 10 auto’s te wachten voor ik me mezelf terug oppak.

En hopla. Er stopt een oudere man, gezapig en vriendelijk. Hij biedt aan om niet langs de autostrade te gaan, maar langs de landelijke wegen zodat ik het binnenland kan bewonderen.

Ik ben blij, mijn zenuwstelsel ontspant. De zon schijnt, ik rijd door mooie wegen, op weg naar avontuur en in aangenaam gezelschap. We babbelen in een combi van Portugees, Spaans en Engels over zijn nakend pensioen waar hij zo tegen opziet, over zijn zoon, over wat hij kent in België, over het leven.

Alles is goed. Ik ontspan helemaal terwijl ik geniet van het uitzicht. Ik voel me veilig en bedenk wat voor een gelukzak ik toch ben. Ik sluit mijn ogen en bedenk dat het kan. Dat het veilig is.

Als ik na een paar minuten dommelen mijn ogen open, gaat het fout.

De chauffeur met een hand aan het stuur, met zijn andere hand zichzelf aan het bevredigen. Ik reageer fel en kordaat. De auto stopt, ik spring eruit.

En daar sta ik dan, in the middle of nowhere, in shock, nog niet goed begrijpend wat er precies gebeurde.